Pheidole obtusospinosa leeft in bosgebieden met dennen, eiken en jeneverbessen. Ze nestelen meestal onder stenen, maar er zijn ook kolonies gevonden op vreemde plekken, zoals in een koeienvlaai of hoog in een dode tak. De kolonies zijn meestal erg groot en kunnen hun omgeving overheersen, vaak zo erg dat andere mierensoorten er geen plek meer hebben.
De soort heeft drie verschillende kasten: kleine werksters, soldaten en supersoldaten. De kleine werksters doen het gewone werk in de kolonie, terwijl de soldaten met hun grote koppen de kolonie verdedigen. Supersoldaten zijn nog groter en komen maar weinig voor in de kolonie. Het zijn middelgrote mieren: werksters zijn 2,5 tot 3,5 mm, soldaten 4 tot 6 mm en supersoldaten 6 tot 8 mm.
Pheidole obtusospinosa kolonies kunnen snel groeien, vooral met genoeg voer en de juiste temperatuur. Ze eten vooral suikerwater en eiwitten zoals insecten. De ontwikkeling van het broed duurt 3 tot 7 weken, afhankelijk van de kaste en de omstandigheden. Deze soort heeft geen winterrust nodig en kan het hele jaar door blijven groeien.
De kolonies zijn monogyn, met meestal één koningin en tot 5.000 werksters. Pheidole obtusospinosa mieren zijn erg agressief, met een snelle beet maar zonder angel. Ze staan erom bekend dat ze snel en slim eten zoeken, zowel alleen als in groepen, om grotere prooien naar het nest te brengen. In de strijd met andere mierensoorten, zoals Pogonomyrmex barbatus, blokkeren ze bijvoorbeeld de nesten van hun concurrenten, zodat die pas later op zoek kunnen naar eten.